Licht en Donker

Licht en donker

Han Leeferink

Licht en donker spelen een belangrijke rol binnen het zenboeddhisme. In het algemeen worden ze vaak gezien als tegenpolen en geassocieerd met andere begrippenparen, zoals goed en kwaad, leven en dood, hemel en hel, etc. Het licht wordt in deze tweedeling bestempeld als positief en het donker als negatief. Dat is een manier om naar licht en donker te kijken. Een andere manier is om het donker te zien als positief. Het ego heeft bijvoorbeeld een hekel aan het donker omdat daarin de vormen wegvallen, en is zen niet juist gericht op het afzwakken van de dominantie van het ego? Toen Ton Lathouwers in een interview werd gevraagd welk dagdeel hij het meest lief had, antwoordde hij zonder aarzelen: de nacht, want daarin worden de bekende vormen uitgewist. Vanuit dit perspectief zou je het licht kunnen beschouwen als negatief: de bekende vormen blijven daarin immers bestaan waardoor we ons veilig kunnen blijven vasthouden aan wat we altijd al deden.

Vanuit het zenboeddhisme wordt iets anders aangekeken tegen licht en donker. Het belangrijkste verschil is dat er geen waardeoordelen worden toegekend aan deze begrippen: licht is niet positief en niet negatief. Dat geldt ook voor het donker: het donker is niet positief, maar ook niet negatief. Licht en donker zijn er gewoon; we hebben er domweg mee te maken. We leven in een duale wereld: aan de ene kant het licht (vorm) en aan de andere kant het donker (leegte). Anderzijds wordt binnen het zenboeddhisme ook gewezen op het non-duale karakter van de werkelijkheid. Hoe zit dat dan?

In deze blog zal ik proberen om beide begrippen zowel vanuit een duaal als vanuit een non-duaal perspectief te bezien. Om een en ander te illustreren maak ik ook een paar uitstapjes naar andere levensbeschouwelijke en culturele tradities, zoals die van het taoïsme, de literatuur en de beeldende kunst.

licht en donker

Licht en donker in het zenboeddhisme

Vanuit een duaal perspectief worden licht en donker binnen het zenboeddhisme gezien als twee zijden van dezelfde medaille: ze zijn op elkaar betrokken, ze kunnen niet zonder elkaar bestaan: zonder licht geen donker, zonder donker geen licht; zonder goed geen kwaad, zonder kwaad geen goed; zonder leven geen dood, zonder dood geen leven; zonder vorm geen leegte, zonder leegte geen vorm.

En tegelijk wordt vanuit een non-duaal perspectief gesteld dat het onderscheid tussen licht en donker niet bestaat: licht en donker zijn louter woorden, bedenksels, constructies; zodra we de werkelijkheid als eenheid ervaren bestaat het verschil tussen licht en donker niet meer. In de ervaring van stilte, vrede, openheid (allemaal ‘concepten’ die de lading niet dekken) is het onderscheid opgeheven; we zijn al verlicht, alleen ervaren we dat doorgaans niet.

Beide perspectieven op licht en donker zijn waar en bestaan naast elkaar. In de westerse filosofie wordt een dergelijke bewering vaak lastig gevonden (het ene is waar of het andere is waar), in de oosterse filosofie wordt dat als minder problematisch ervaren (het ene is waar en het andere is waar). Voor de beoefening van zen zijn beide perspectieven van belang – hoewel we, om alvast op de zaken vooruit te lopen, aan het non-duale perspectief op licht en donker geen aandacht hoeven te besteden.

Een duaal perspectief

Vanuit het duale perspectief worden licht en donker dus gezien als twee zijden van dezelfde medaille: ze kunnen niet zonder elkaar bestaan. De ervaring in veel tradities is dan vaak dat het donker nodig is om het licht te bereiken – of, wat meer geformuleerd in zen-terminologie: om het licht toe te laten. Mara (lijden) is de toegangspoort tot (het realiseren van) je boeddhanatuur.

Een bekend voorbeeld hiervan uit de wereldliteratuur is La divina commedia (De goddelijke komedie) van Dante, een gedicht over een reis van de hel via de louteringsberg naar het paradijs (drieluik). Het gedicht begint als volgt:

Midden in het leven was ik van

         het rechte pad geraakt. Toen ik mij

         hervond, stond ik in een donker bos,

zo wild en woest en ondoordringbaar:

         daar zijn geen woorden voor. Als ik eraan

         terugdenk, schrik ik weer! Ja, het is bijna zo

bitter als de dood! Maar om van het goede

         dat ik er tegenkwam te verhalen, zal ik ook

         spreken over de andere dingen die ik er zag.

Hoe ik in dat bos terechtkwam, kan ik niet

         goed navertellen: want ik liep gewoon

         te slapen toen ik de ware weg verloor.[1]

De crisis waarin Dante verkeert, wordt voorgesteld als een donker bos; hij komt in dat donkere bos terecht doordat hij van het rechte pad is afgeraakt… Het gedicht is te lezen als een bekering, niet via een korte, directe weg, maar pas na een tocht door de hel. Uiteindelijk bereikt Dante het licht, dat wordt verpersoonlijkt door Beatrice, zijn eeuwige jeugdliefde. Het licht valt bij Dante dus samen met de liefde en het paradijs. Dante heeft de crisis (het donker) nodig om zich te openen voor de liefde (het licht).

Een tweede voorbeeld is de eerste ervaring van Bieke Vanderkerckhove met de stilte in een klooster. Ze heeft twee jaar daarvoor te horen gekregen dat ze lijdt aan een dodelijke spierziekte; ze was 19 jaar oud. De verwachting was dat ze maximaal nog vijf jaar te leven had. Er volgde een periode van afgrondelijke wanhoop – tot zich onverwachts ‘iets opende’.

Twee jaar lang heb ik een (uit)weg gezocht uit de wanhoop. Niets hielp. En toch, toen ik niet meer wist waar ik het nog kon zoeken, op dat dieptepunt waar ik alles kwijt was, waar ik dacht ‘dit is het einde’, ‘hier kan ik geen kant meer op’, juist op die onmogelijke plek van ‘ten dode opgeschreven zijn en de pijn met niets kunnen verzachten’, opende er zich – onverwacht – iets van een weg. En die weg opent zich soms nog. Maar ik kon en kan het niet vasthouden en ik kan er geen woorden op plakken. Ik kan alleen zeggen: Er is iets dat mij doet gaan, dwars door de nacht… in tranen, en toch ongebroken. En dat het geen gemakkelijke weg is.

       Die weg opende zich in de stilte. Volkomen onverwacht. Door toedoen van een vriend belandde ik bij de trappisten van Westvleteren. We zouden er een dag of drie logeren. Voor we aanbelden, deed die vriend mij het eigenaardige voorstel om niet met elkaar te praten. Zo gezegd, zo gedaan. We zagen elkaar mij de maaltijden, woonden de gebedsdiensten bij en waren voor de rest elk op onszelf. Achteraf heb ik al dikwijls gedacht dat zijn voorstel iets mogelijk heeft gemaakt. Toen vond ik het echter gek. Maar ik heb mij eraan gehouden. Ik liet hem met rust en bracht de tijd alleen met mezelf door, in stilte op een bankje, zoals ik het die monniken zag doen. Tijdens het jaar daarvoor was ik op zoveel muren gebotst dat ik er bij wijze van spreken alleen nog maar bij kon gaan zitten… wanhopig, ten einde raad. Ik zat volledig aan de grond. Ik begrijp er nog altijd niets van. Ik heb in die drie dagen met niemand gesproken. Ik heb daar gewoon in stilte gezeten. Bij mijn vertrek was mijn situatie even hopeloos, maar tot mijn stomme verbazing en die van mijn huisgenoten ben ik lachend thuisgekomen., zonder te weten hoe en waarom. Het heeft me nooit meer losgelaten. Het is het begin geweest van mijn weg met en in de stilte. Het tekent mijn leven, tot op de dag van vandaag.[2]

Bieke heeft uiteindelijk nog bijna 30 jaar geleefd. Ze is vorig jaar overleden. Ze maakte deel uit van de sangha van Ton Lathouwers. Ik heb haar twee keer ontmoet, en dat was indrukwekkend vooral omdat er iemand voor je zit bij wie lijden en licht diep doorleefde ervaringen zijn.

Dit zijn ontroerende en aangrijpende voorbeelden. Velen van ons hebben misschien een vergelijkbare (wellicht wat minder heftige) ervaring – de ervaring dat zich in het donker iets kan openen, dat er iets van licht binnenvalt; echter: het non-duale perspectief op licht en donker gaat nog een stap verder.

Een non-duaal perspectief

In het voorbeeld van Bieke (althans, zoals het beschreven staat in het boek) is er nog altijd onderscheid tussen licht en donker – een gevoel van hoop in de wanhoop… Bij haar vertrek uit het klooster was haar situatie nog altijd even hopeloos, maar tot haar grote verbazing kwam ze lachend thuis. Het donker en het licht bestaan naast elkaar.

Binnen het non-duale perspectief bestaan donker en licht niet naast meer elkaar, maar is het onderscheid tussen licht en donker opgeheven. Het licht binnen dit perspectief is in die zin een ander soort licht dan het licht binnen het duale perspectief. Je zou hier kunnen spreken van het Grote Licht, het Goddelijke Licht, het alles overstralende licht; het is het licht voorbij het licht, voorbij de voorstellingen die we hebben van het licht; het is het licht van de genade.

Het fijne daarvan is dat we ons daar dan in elk geval niet mee bezig hoeven te houden; het overkomt ons, we hebben er niets over te zeggen. Het is het alles overstralende licht waarin dus ook alle vormen worden uitgewist (‘alles valt weg’), net zoals dat ook geldt voor het donker; het donker voorbij het donker, voorbij de voorstellingen die we hebben van het donker… Het diepste donker in het donker; een plaats waarin het besef van donker niet meer bestaat.

Een voorbeeld van dit donker vinden we in het taoïsme. Zowel de Zhuangzi als de Laozi begint met een scheppingsmythe waarin dit donker een centrale plaats heeft. De Zhuangzi opent met het verhaal over Kun (een reusachtige vis) die verandert in Peng (een reusachtige vogel). Kun leefde in de noordelijke duisternis. Deze duisternis verwijst naar het oorspronkelijke, het ongeborene, het onkenbare… (de leegte). En uit deze leegte komt Peng voort (de vorm). We kunnen Kun niet kennen, we kunnen hooguit proberen contact te houden met Kun, met de noordelijke duisternis, met de leegte. Door dat te doen kunnen we ieder moment sterven en opnieuw geboren worden. Bij iedere uitademing keren we terug naar het duister waardoor er bij elke inademing nieuw licht kan ontstaan.

Openen voor wat plaatsvindt…

In het algemeen gaat het erom het licht en het donker bij elkaar te houden; om vanuit de vorm (Peng) verbinding te maken met de leegte (Kun); om het lijden toe te laten en je te openen voor het licht – dat er altijd is; om jezelf te openen voor wat plaatsvindt, zonder oordelen; we hoeven alleen maar onze oefening te doen, de rest wordt ons gegeven.

Een voorbeeld van wat het kan geven om alleen maar stil te zijn en jezelf te openen voor wat plaatsvindt is de performance ‘The artist is present’ van Abramovic in het MOMA in New York (2010). Abramovic vormde samen met Ulay een beroemd kunstenaarsduo. Ze hadden bovendien een liefdesrelatie. Een aantal jaren geleden ging het mis. Ze gingen uit elkaar, en gingen allebei verder als individuele kunstenaar.

Tijdens de performance ‘The artist is present’ zit Abramovic drie maanden lang elke dag in een grote zaal op een stoel achter een tafeltje. Aan de andere kant van het tafeltje staat nog een stoel waar een bezoeker kan plaatsnemen. Abramovic weet niet wie er gaat zitten, ze heeft haar ogen gesloten, en zodra iemand heeft plaatsgenomen opent ze haar ogen en kijkt ze de ander aan… met een open blik. Wanneer ze haar ogen weer sluit probeert ze weer leeg te worden (soort dokusan).

> Tot Ulay in de zaal verschijnt… (ze hebben elkaar in geen jaren gezien): https://www.youtube.com/watch?v=OS0Tg0IjCp4

Den Bosch, september 2017

[1] Dante, A. Mijn komedie. Deel I: Hel. [Vertaald, ingeleid en geannoteerd door Jacques Janssen, 1999]. Nijmegen: SUN.

[2] Vandekerckhove, B. (2010). De smaak van stilte. Hoe ik bij mezelf ben gaan wonen. Tielt: Ten Have | Lannoo.